banner memoriam

 

 

Ruth, 36 jaar

 

Ruth, 36 jaar.

  

Twee dagen na haar 36-ste verjaardag werd Ruth begraven. De witte kist waarin zij opgebaard lag, was door Evert ‘op maat’ gemaakt. Hij had er wekenlang aan gewerkt. Zorgvuldig (en vooral liefdevol) gezaagd, geschaafd, geschroefd en geverfd. ‘Ruth verdient een paleisje als laatste rustplaats, had hij gezegd.’ De kinderen, van zes, negen en dertien, hadden er hartjes, tientallen zonnen, bloemen en handen op getekend.

  

Ruth was pas vijf jaar toen zij voor het eerst naar het ziekenhuis moest. Oorpijn, zei ze. Elke dag, elke nacht. Ontelbare keren ging ze met haar moeder naar het kinderziekenhuis in de stad. De doktoren wisten zich nauwelijks raad met haar probleem. Ze kon niet meer goed horen. Ruth moest geopereerd worden en een paar nachtjes in het ziekenhuis blijven. Drie pijnlijke operaties. Het zou nog jaren duren voordat zij weer ‘gewoon’ kon horen. Gelukkig had ze haar moeder die haar onvermoeibaar troostte door haar te strelen, te knuffelen en door haar armen om Ruth te leggen. Soms door haar in de ogen te kijken en bemoedigend te lachen.

 

Je zou zeggen Ruth had een moeilijke jeugd, moeite met leren, vaak ziek en weinig vriendinnetjes. Een valse start van het leven. Zo’n langdurige periode van ‘er niet bij horen’ laat sporen achter. Doet iets met je karakter.

 

En dat deed het ook!

 

In de meest positieve zin van het woord. Ruth ontwikkelde een ijzersterk en zonnig karakter. De problemen met haar oren zorgden er juist voor dat ze het beste luisterend oor van Utrecht werd. Niemand beter dan Ruth verstond de kunst van horen, verstaan en luisteren. Zij begreep hoeveel een mens mist als er geen gehoor is. Hoe geïsoleerd je dan kunt zijn en eenzaam. Dus zorgde zij dat niemand in haar omgeving zich alleen voelde. Ruth vertelde dagelijks aan haar kinderen hoeveel zij van hen hield. Zoveel, zei ze, en spreidde haar armen: ‘Tot de maan! En terug…’

 

Haar moeder had haar geleerd om ook zonder woorden te communiceren. Geduldig strelen, masseren, iemand in je armen nemen, warm aankijken en glimlachen. Ruth wist precies hoe zij ook zonder woorden iemand kon helpen en troosten.

  

Haar deur stond open voor werkelijk iedereen. Ruth genoot van haar vriendenkring.

  

En als jonge twintiger had ze genoten van het wilde leven, een feestbeest was ze, de stad in, de grens over. Een paar jaar lang had ze er op los geleefd. Alle donkere en koude nachten swingde ze uit haar lichaam. Totdat ze in hartje Amsterdam Evert ontmoette. Ook hij uit een gebroken gezin, ook hij had de remmen los gegooid, ook hij ten diepste op zoek naar een arm, die zou blijven, een hand die niet los zou laten, liefde die niet moe wordt. Ze dansten en zongen: ‘So close no matter how far, couldn't be much more from the heart, forever trusting who we are and nothing else matters.’

 

Ze dansten voor de herinnering en om te vergeten. Ze dansten bij elkaar naar binnen, tot diep in het hart. Hand in hand, mond op mond, twee gewonde mensen die elkaar ‘heel’ en ‘mooi’ maakten. ‘Trust I seek and I find in you, every day for us something new, open mind for a different view and nothing else matters.’

 

Niemand geloofde dat deze twee losbollen het zouden redden. Ongeveer zoals geen arts geloofde dat Ruth ooit nog ‘gewoon’ zou kunnen horen. Ruth wist hoe zij een negatieve ervaring kon ombuigen naar een positief en inspirerend uitzicht. Ze raakte zwanger, de meeste intense en mooiste maanden van haar leven en dat drie keer!

 

Het geluk lachte hen toe, het kon niet op, een onbewolkt leven en de zon bleef maar schijnen. Samen konden ze de wereld aan. Totdat op een dag haar ogen geel waren. Weer ziekenhuis, weer onderzoek, weer onzekerheid en toen de diagnose: alvleesklierkanker! Uitgezaaid, niet te opereren.

 

Trust I seek and I find in you, ze fluisterde de woorden, elke dag en elke nacht. Zoveel verslagen, zoveel gewonnen en nu keek ze, pas 35 jaar, de dood in ogen. Ruth kocht een nieuw pakje sigaretten, een paar flessen wijn en nodigde haar vriendinnen uit. Rustig sprak zij over haar situatie, haar toekomst. Maar ze begreep ook hoe zwaar de situatie en hoe donker de situatie voor haar vriendinnen was. ze vertelde dat je ‘altijd’ het positieve uit een negatieve ervaring kon halen. Zij was zelf het bewijs. En ze wilde dat haar kinderen, vriendinnen en Evert dat van haar zouden onthouden en, als het kon, zouden overnemen. ‘Dit is mijn erfenis,’ zei ze. Noem het brood voor onderweg.’ Ruth verstond de kunst van het leven, maar ook de kunst van het loslaten, het sterven.

 

‘En –zei ze met glimlach- ik wil op mijn begrafenis geen zwarte sok of jas zien. Niks koffie, niks cake, wijn en Franse kaas. En jullie gaan in het wit… Dat is mijn laatste wens!’

   

And nothing else matters

 

'Aan niets en niemand meer ten prooi
Delf mijn gezicht op, maak mij mooi'

Oosterhuis