banner memoriam

 

 

Susanne, 50 jaar

SUSANNE, 50 jaar. Het eerste gesprek met Susanne was 9 oktober in een museum. Het laatste op 4 augustus in een Indisch restaurant. Een week later lag ze, volkomen onverwacht, op haar vakantieadres dood in bed. Dat was in 2010. Susanne liet zich niet direct kennen. Een vrouw met maskers, maar, stap voor stap, was ze toch tevoorschijn gekomen. Haar prettige ijdelheid, altijd goed opgemaakt, zorgvuldig gekleed, nagels gelakt, lippen gestift, prachtige, goudbruine ogen. Gaandeweg vertelde ze over haar drijfveren, haar bronnen en over 1000 emoties. Ze kende ze allemaal van angst - van plezier - van hoop - van veiligheid - van pijn. Ze wist wat jaloezie was, teleurstelling en ze wist van geluk, van liefde. En liet anderen daarin delen. Ze kon mopperen als geen ander. Kijken als onweer Kon ook lachen als geen ander. Haar gevoel voor humor was groots en meeslepend. Ze wilde een veilig en warm huis zijn Voor Engel en Muis, zoals ze haar kinderen liefkozend noemde. Ze wilde voluit moeder zijn, een moeder met vleugels, die ze om haar kinderen zou slaan. Om hen te beschermen tegen het verdriet, tegen agressie, tegen pijn. Ze wist heus wel dat ze soms uit haar slof schoot, dat ze onredelijk kon zijn, een dondersteen of gewoon koppig, verschrikkelijk dwars en eigenwijs. Susanne had daar overigens altijd wel argumenten voor want zeg nou zelf, dat kan toch niet wat hij zei of wat zij deed. Ze zocht (en vond) de zuiverheid in zichzelf (en in anderen) en maakte keuzes, waar ze onverbloemd voor uitkwam. Ze hield pleidooien voor recht op liefde. Ze had soms depressieve buien, een kleine stem en dikke tranen. Graag wilde ze het goed hebben en goed maken met en voor anderen. Ze kocht nooit zomaar cadeautjes er zat altijd een bedoeling achter. Soms om te pesten, soms om je lekker te verwennen of om je aan het denken te zetten. En toen werd ze ziek. Het was Pasen. Helse hoofdpijn, last van haar nek, vreemde buikpijn, aanvallen van angst. Vermoeid alsof ze haar hele leven hard had moeten lopen. Ze was ook boos. Waar ze dit nou aan verdiend had? Haar incasseringsvermogen en geduld werden beproefd. Maar ze vocht terug want ze had nog een opdracht, zei ze. Ze was toch de moeder met vleugels en ze wilde Engel (11) en Muis (14) leren vliegen. Ze moeten ‘straks als ik er niet meer ben’ op eigen benen kunnen staan. Zelf kunnen vliegen. Susanne was ook de vrouw met vleugels want ze gaf vertrouwen, plezier, gaf zichzelf, was trouw aan haar vrienden met de een zou ze schrijven, voor de ander koken, met een derde cryptogrammen oplossen, met mensen praten over de kerk, over de boeken die ze las, ze moest ook nodig weer eens die of die bellen, iemand helpen op de golfclub, samen naar een museum, op bezoek bij oude vriendinnen in het Westland. ‘Eerst een paar dagen lekker weg,’ zei ze op 4 augustus 2010. Ze kwam nooit meer terug.

'Aan niets en niemand meer ten prooi
Delf mijn gezicht op, maak mij mooi'

Oosterhuis